Het was laat. Of vroeg, dat is een kwestie van perspectief. We waren aan het afteren bij mij thuis met een klein groepje, waaronder een jongeman die ik nog niet kende. Hij zei het beschaamd, het zelfstigma droop ervan af. Het was overduidelijk moeilijk voor hem de woorden over zijn lippen te krijgen. “Ik heb hiv.” Mijn ogen lichtten op, ik keek hem verrukt aan.
De afgelopen jaren heb ik de hiv-gemeenschap leren kennen als het toonbeeld van wat community kan zijn. Of het nou bij een symposium van Soa Aids Nederland is, op een borrel van hello gorgeous of bij de stand van PrEPnu op een festival: mensen zijn altijd vriendelijk en open. Het is er bovendien altijd gezellig.
Het woord gemeenschap is soms een lege huls. ‘LHBTQIA+’ rolt zo van mijn tong af, maar ik heb moeite die lettersoep te zien als een verbonden en solidaire groep. Bij de hiv-community voel ik die onderlinge warmte wel. Er zijn ook duidelijk gedeelde waarden, die ook nog eens goed aansluiten bij mijn eigen opvattingen. Wetenschappelijk geïnformeerd, gericht op inclusie en het bevechten van schaamte, waarbij plezier nooit vergeten wordt.

Want schaamte en plezier zijn elkaars aartsvijanden. Niemand weet dit beter dan hiv-activisten, de superexperts in het aanpakken van stigma. Het maakt niet uit of je binnen of buiten de norm valt, welke seks je hebt of welke drugs je gebruikt, je wordt geaccepteerd. De beste afweer is namelijk openheid. Schaamte verdwijnt als sneeuw voor de zon als je erover praat.
Verheugd vertelde ik mijn gast op de after welke groep er voor hem klaar staat, misschien wel iets téenthousiast – ik zei nog net niet dat zo’n diagnose leuk is. Hij luisterde, maar hij had nog wat tijd nodig. Toch zag ik een deurtje bij hem opengaan, zijn betekenisgeving begon te kantelen. Missie geslaagd, op naar de volgende.
Deze column verscheen eerder in hello pride.
Tekst Linda Duits Illustratie Simon Sturge

