De schuldgevoelens voorbij

0

Jesse van Amelsvoort (32) en Bram Mellink (39) lazen Nederlandse literatuur over hiv en aids en kwamen tot de conclusie: het beeld over hiv en aids dat uit deze boeken oprijst, contrasteert nogal met dat van de Nederlandse bespreekbaarheidscultuur, waarin weinig stigmatisering en schuldbesef zouden zijn.

Bij de pont van Amsterdam-Centraal naar het IJplein staat een reusachtig telraam. Op 1 december 2016, Wereldaidsdag, werd het onthuld door de Amsterdamse burgemeester Eberhard van der Laan en door Louise van Deth van het Aidsfonds. Gesitueerd op een oude standplaats van de methadonbus aan de De Ruijterkade is het telraam een eerbetoon aan de slachtoffers van aids en een ode aan degenen die zich voor hen hebben ingezet. Onder het motto ‘we tellen af naar een wereld zonder hiv en aids’ kijkt het monument echter vooral vooruit naar de strijd die nog moet worden geleverd en naar datgene wat nog komen gaat.

Niet-moraliserende houding

Het hiv/aids-monument legt een opmerkelijke paradox bloot in de Nederlandse omgang met de aidsepidemie. Enerzijds heeft Nederland zich altijd laten voorstaan op zijn politieke bespreekbaarheidscultuur rondom aids. Dankzij een pragmatische, coöperatieve en niet-moraliserende houding onder medici, beleidsmakers en vertegenwoordigers van wat destijds ‘de risicogroepen’ werden genoemd, was aids in Nederland al in een vroeg stadium bespreekbaar en konden de handen ineen worden geslagen bij de organisatie van adequate voorlichting en zorg.

Beeld Corinne de Korver

Vanwege deze bespreekbaarheidscultuur is Nederland, ook internationaal, veelvuldig geprezen. Desondanks is in de jaren na de combinatietherapie ook een betrekkelijke stilte rondom aids gevallen, die zich ook – of vooral – in de kunst, cultuur en literatuur doet gelden. Waar de film 120 BPM (2017) in Frankrijk tot hernieuwde maatschappelijke belangstelling voor de geschiedenis van aids leidde, en de serie It’s a Sin het onderwerp in 2019 in Groot-Brittannië weer onder de aandacht bracht, is een vergelijkbare publieke terugblik in Nederland vooralsnog uitgebleven. Echte ‘aidsklassiekers’, zoals het boek And the Band Played On (1987) van de Amerikaanse journalist Randy Shilts, het eveneens Amerikaanse toneelstuk Angels in America (1991) van Tony Kushner of het autobiografische Modern Nature (1991) van de Britse filmmaker Derek Jarman kennen we in Nederland evenmin. Maar hoewel boeken en series die terugblikken op de geschiedenis van aids dus relatief weinig bekendheid genieten, blijken ze wel degelijk te bestaan. Waaruit bestaat deze verborgen verzameling teksten, en welke verhalen over aids rijzen hieruit op?

Simpele cultuurkritiek

De roman over aids die vermoedelijk de meeste bekendheid geniet, is Frans Kellendonks Mystiek lichaam dat in 1986 verscheen, vier jaar voordat de auteur zelf overleed aan de gevolgen van aids. Het boek over de familie Gijselhart sloeg in als een bom, maar niet zozeer vanwege het onderwerp aids: volgens Volkskrant-recensent Aad Nuis had Kellendonk een antisemitisch boek geschreven. Kellendonk schetst de familie Gijselhart als een kille, wrokkige familie waarin vader Gijselhart zijn antisemitisme inderdaad niet onder stoelen of banken steekt. De door Nuis aangezwengelde polemieken hierover verdrongen echter een ander aspect van Mystiek lichaam, dat in de jaren sinds publicatie nooit helemaal hersteld is: in New York wordt Leendert Gijselhart, ook wel Broer genoemd, getroffen door een mysterieus nieuw virus. Als eerste wordt zijn vriend, ‘de rijpere jongen’ geheten, “de dood […] aangezegd”. Nergens in het boek wordt een diagnose gesteld, maar de niet bij naam genoemde ziekte, geschetst als fatale bloedziekte en door Kellendonk omschreven als een ‘bizar letterwoord’, is duidelijk herkenbaar. Vanaf dit moment hangt hiv als een zwaard van Damokles boven Broers hoofd, en aan het einde van de roman wordt ook hij ziek. De roman eindigt met een ijlende hoogmis:

“Ondenkbare aan wie ik aldoor denken moet, ik zal jouw boodschap verbreiden onder de kinderen van Jeruzalem. Doodsrozen zullen ontspruiten aan mijn doornenstam. De zon zal nooit opgaan boven je Transsylvaanse imperium. Tot mijn vlees bruidswit is zal ik je werk doen, in de zekerheid dat ik door jou zal worden opgeheven en over de drempel gedragen, onsterfelijke dood.”

Uit dit citaat blijkt duidelijk het katholicisme van de Gijselharts en de barokke wereld waarin zij leven, die voor Broer doorkruist wordt door een onafwendbare dood. 

‘Gerechtvaardigde vergelding’

Het is opvallend hoezeer Kellendonks roman in de publieke herinnering wordt verbonden aan andere zaken dan hiv en aids. In 2011, vijfentwintig jaar na publicatie, reflecteerde Herman Stevens in De Groene Amsterdammer op hoe het boek in de loop der jaren is beleefd: “We associëren Mystiek lichaam met het eerste, nerveuze aidsdecennium, maar de ziekte die iedereen in de roman in zijn greep heeft is de zelfhaat. Niemand in dit verhaal leeft in liefde. […] Broer haat zichzelf en de manier waarop de homoseksualiteit hem op een zijspoor heeft gerangeerd. In Mystiek lichaam neemt aids de gedaante aan van een gerechtvaardigde vergelding van de natuur. Een nemesis. We moeten heengaan en ons vermenigvuldigen. Anders heeft het leven geen zin.” Stevens’ reactie is typerend voor de bredere blik op Kellendonks roman. Hiv en aids zijn hierin geen zelfstandig thema, maar werpen licht op een dieperliggend probleem: zelfhaat, waarbij Broers homoseksualiteit verweven raakt met een schuldcomplex rondom (heteroseksuele) voortplanting. Zo blijkt aids vooral een aanleiding om het over andere, ogenschijnlijk ‘diepere’ zaken te hebben. 

Beeld Corinne de Korver

Goddelijke straf

Iets soortgelijks is aan de hand in Gerrit Komrijs Dubbelster (1993), een karikaturaal relaas over de ondergang van de populaire, homoseksuele talkshow-host Otto Kapteijn. Aids speelt een kleine rol in deze onvaste roman, die het onderwerp van haar satire nooit helemaal in beeld krijgt. Tegen het einde van het verhaal loopt Otto over de Dam, locatie van een gefictionaliseerde versie van het jaarlijkse Amsterdam Dinner. Volgens hem is aids het “protest van de hele soort”, die zich bezighoudt met “genot en emotie, met verstrooiing en consumptie, met produceren en ouwehoeren”. Net als kanker is aids een correctie op menselijk falen, een goddelijke straf die vanuit het lichaam zelf groeit. Ook Komrij lijkt het in Dubbelster dus niet te doen om te verbeelden wat het betekent om te leven in een wereld waarin aids bestaat: de epidemie is meer een opstapje naar Otto’s simpele cultuurkritiek.

Toerisme en besmette naalden

Mystiek lichaam en Dubbelster zijn twee vroege romans met als onderwerp hiv en aids. Latere literatuur verwijst meer zijdelings naar de epidemie, zonder deze écht te thematiseren. In zijn proefschrift Einde verhaal(2015) heeft Wouter Schrover een aantal romans met als thema’s euthanasie en levensbeëindiging in kaart gebracht, met bijzondere aandacht voor Bert Keizers Het refrein is Hein (1994). In deze roman is de wens tot zelfdoding van jonge mensen met aids aanleiding voor hoofdpersonage Anton om na te denken over wilsbekwaamheid en andere ‘filosofische vraagstukken’. Het verhaal van In het huis van de dichter (2008), Jan Brokkens boek over zijn vriendschap met de homoseksuele pianist Yuri Egorov, eindigt met de dood van de laatste door aids. Net zo lopen de avonturen van de homoseksuele hoofdpersoon in Ton Kors’ roman De tijd van Anton de Lange (1995) af met zijn aids-gerelateerde dood. Opvallend is ook Appie Baantjers De Cock en de bloedwraak (1989), waarin aids voor de verandering niet in verband wordt gebracht met homoseksualiteit, maar met toerisme en besmette naalden. 

Menseneitjes en apensperma

Meer recent verwijst ook de jonge auteur Hanna Bervoets in haar werk meermaals naar de epidemie, bijvoorbeeld in Leer me alles wat je weet (2023), waarin een van de personages werkt bij de aidsinfolijn. Het is echter vooral haar roman Ivanov (2016) waarin hiv/aids een belangrijke rol speelt. Ivanov is een complexe roman, waarin vanuit een min of meer hedendaagse vertelsituatie wordt teruggekeken op de tijd die hoofdpersoon Felix heeft doorgebracht in New York in de jaren negentig. Daar heeft hij een referaat geschreven over de Russische arts Ivanov, die na de machtsovername door de bolsjewieken in 1918 naar Frans West-Afrika afreist om daar menseneitjes met apensperma te kruisen. Centraal staat de vraag in hoeverre deze experimenten ethisch verantwoord zijn, zeker omdat – zo suggereert de roman – Ivanov door zijn experimenten het hiv-virus van dier naar mens doet overslaan.

Schaamte en straf

Wie het (beperkte) veld van romans over hiv en aids overziet, komt al snel tot de conclusie dat aids in deze romans zelden als centraal thema wordt gekozen óf herkend. Werken waar dat wel het geval is, lijken redelijk onbekend te blijven: Ton Kors en Bert Keizers zullen gelezen worden, maar door minder mensen dan Bervoets en Kellendonk. Opvallend in de ontvangst van de romans van Kellendonk en Komrij is bovendien de verbinding die zowel de auteurs als de recensenten leggen tussen aids, schaamte en straf. Dit beeld contrasteert nogal met het beeld van de veelgeprezen Nederlandse bespreekbaarheidscultuur, waarin stigmatisering en schuldbesef nu juist op afstand zouden zijn gehouden. Wel past het juist goed in de bevindingen van Randy Vermeulen en Maurits de Bruijn in hun podcast En niemand bleef onaangeraakt, waarin zij ingaan op de vraag hoe de hiv-epidemie van de jaren tachtig door betrokkenen is beleefd, en hoe die beleving vervolgens heeft doorgewerkt. Hieruit blijkt wel hoe moeilijk het blijft om, decennia later, over aids te praten zonder gevoelens van schaamte en schuld. De enthousiaste ontvangst van En niemand bleef onaangeraakt laat bovendien zien dat er een enorme behoefte is aan meer verhalen die de lange lijnen van de geschiedenis van hiv en aids laten zien. Verhalen die de schuldgevoelens voorbij zijn. 

Dit artikel is een bewerking van het artikel ‘Een succesverhaal? Beleid en beleving rondom aids in Nederland sinds 1982’, dat dit najaar verscheen in Tijdschrift voor Geschiedenis en online te lezen is.

Dit artikel verscheen eerder in hello gorgeous #49.

Tekst Jesse van Amelsvoort en Bram Mellink Beeld Corinne Korver

Leave A Reply